Gebruik van ureum in melkveerantsoen

Inleiding

In de huidige “dure” eiwitmarkt is er veel vraag naar “goedkope” eiwitbronnen waarvan voederureum er één is. Voederureum kan, afhankelijk van de rantsoensamenstelling, in beperkte mate prima worden ingezet als eiwitbron voor melkvee en daarmee bijdragen aan beperking van de voerkosten. Echter het moet wel “passen” in het rantsoen. Hieronder volgt een nadere toelichting. 

 

Voederureum

Ureum is een bron van niet-eiwit-stikstof (NPN) met een hoog gehalte aan ruw eiwit: 2900 g RE/kg. Ureum bevat dus wel stikstof maar niet in de vorm van eiwit (peptiden/ aminozuren); de WDE-waarde van ureum is dus 0. Ureum-stikstof komt in de pens volledig en snel vrij en kan een prima aanvulling zijn in rantsoenen met een tekort aan TPE/SPE/EKB. Bijkomend voordeel van ureum is dat het geen fosfor bevat (BEX). Dit in tegenstelling tot de meeste eiwitbronnen die juist een hoog fosforgehalte bevatten.  

 

Ureum in de koe

Ureum wordt in de pens snel omgezet in ammoniak. Afhankelijk van de hoeveelheid N die wordt benut door de pensbacteriën, leidt dit tot een piek in ammoniakconcentratie. Een overmaat aan ammoniak in de pens wordt geabsorbeerd en via de bloedsomloop naar de lever en nieren getransporteerd alwaar ammoniak wordt omgezet in ureum. Een gedeelte van het ureum komt via het speeksel en de penswand terug in de pens (ureumrecycling). Dagelijks wordt via ureumrecycling 270 tot 300 gram ureum teruggevoerd naar de pens. De efficiëntie van de ureumrecycling neemt toe naarmate het RE-gehalte in het rantsoen afneemt. De overmaat aan ureum wordt uitgescheiden via de melk en urine. Melkureum is daardoor een goede indicatie van de N-benutting door het dier.

(Zeer) hoge ammoniak concentraties in de pens en bloedbaan leiden tot een hoge leverbelasting (omzetting van ammoniak naar ureum) en kunnen een negatieve invloed hebben op gezondheid en vruchtbaarheid. Negatieve effecten op vruchtbaarheid zijn te verwachten wanneer het ureumgehalte in de melk (langdurig) hoger is dan 30 mg/dl.  

 

Eiwitbehoefte pensbacteriën

Pensbacteriën kunnen zowel peptiden, aminozuren als ammoniak gebruiken voor de vorming van microbieel eiwit. Meer dan 80% van de bacteriën kunnen goed groeien met ammoniak als enige beschikbare stikstofbron. Celwandsplitsende bacteriën (cellulolytische bacteriën) gebruiken voornamelijk NH3 als N-bron terwijl de bacteriën die niet structurele koolhydraten (m.n. zetmeel en suikers) afbreken (amylolytische bacteriën) zowel NH3 als peptiden/aminozuren gebruiken voor hun groei. Protozoën en gisten groeien het best met aminozuren en peptiden. 

Praktisch vertaald betekent bovenstaande dat een aanvulling met ureum met name goed past in celwandrijke/graskuilrijke rantsoenen met een tekort aan penseiwit. Om aan de gevarieerde eiwitbehoefte van de pensbacteriën te voldoen bevatten de FF voeders een breed spectrum van eiwitbronnen, met als resultaat een maximale eiwitproductie in de melk.  

 

Toepassing ureum in melkveerantsoenen

Voederureum kan in beperkte mate een prima rol vervullen als eiwitbron in melkveerantsoenen met een tekort aan penseiwit. Ureum wordt net als onbestendig eiwit in de pens afgebroken tot NH3. Wanneer in de pens voldoende energie uit koolhydraten beschikbaar is, kan de ammoniak worden benut voor de vorming van microbieel eiwit.

Belangrijke randvoorwaarde voor een goede benutting van ureum in het rantsoen is een gespreide opname over de dag. In verband met toxiciteit bij overmatig (puur) gebruik zijn er grenzen aan de dosering. Uit wetenschappelijke onderzoeken blijkt dat tot 200 gram ureum per koe/dag, afhankelijk van de rantsoensamenstelling, goed mogelijk is zonder negatief effect op productiekenmerken.

Bij gebruik van enkelvoudig ureum dit uitsluitend toevoegen in gemengde rantsoenen. 

 

Toepassing gecoat ureum

Om een piek van ammoniak in de pens te verminderen zijn er producten op de markt waarin ureum gecoat is, zodat het langzamer in de pens vrijkomt. Deze zogenaamde slow release ureum (SRU) kan worden verkregen door een coating. Uit in vitro onderzoek blijkt inderdaad dat de ammoniakproductie in de pens iets langzamer stijgt bij gecoat ureum.

Bij een hoge gift aan ureum (> 120 g/d/d) leiden slow release ureum producten tot een lagere ammoniakproductie in de pens en kunnen daarmee de leverbelasting verlagen. Mogelijk dat deze producten in die situatie wel voordelen hebben. 

CONCLUSIE

Ureum is een bron van niet-eiwit-stikstof (NPN) met een hoog gehalte aan ruw eiwit: 2900 g RE/kg. Ureum-stikstof komt in de pens volledig en snel vrij. Ureum is bij toepassing van een beperkte hoeveelheid (tot 120 g/koe/dag) in rantsoenen met een tekort aan penseiwit een waardevolle eiwitbron voor de pensbacteriën en daarmee voor de koe.

Door het gebruik van ureum kan, zeker in de huidige “dure” eiwitmarkt, een aanzienlijke besparing in voerkosten worden gerealiseerd met behoud van productieresultaten.

Bij ureumgiften tot 120 g/koe/dag heeft het verstrekken van slow release ureum geen voordelen ten opzichte van ongecoat ureum mits gespreid over de dag opgenomen.